outplacement
Bij elke verandering in de context van outplacement waarin een onderneming opereert, dient zich een nieuw tijdperk aan en moet de onderneming proberen deze overgangsrite door te komen of het nu gaat om het industriële tijdperk, de kwaliteitsrevolutie of de virtuele onderneming. Dit betekent wel dat de onderneming een preventieve aanval moet inzetten op haar dierbaarste overtuigingen, oude vaardigheden moet afleren en een nieuwe koers moet varen. De eerste overgangsrite was de overschakeling van ambachtelijke bedrijven en huisnijverheid op productie in fabrieken, en de daarmee gepaard gaande filosofie van het ‘management’. Deze nieuwe vorm van bedrijvigheid betrof grootschalige, gestandaardiseerde productiewijzen. Werknemers verrichtten steeds dezelfde handelingen, terwijl managers zochten naar manieren om hun werkzaamheden beter, sneller en goedkoper te laten verrichten. W.F. Taylor en andere managementdeskundigen zorgden, door op een wetenschappelijke manier de taakinhoud vast te stellen, voor doorbraken in de productiviteit van de werknemers. Zo ontdekte Taylor dat een arbeider meer kolen in een karretje kon laden door verandering te brengen in de grootte van de schoppen die daarvoor werden gebruikt: grote schoppen voor cokes, kleine schoppen voor zwaarder materiaal. Ook de entree van de machine had een verbijsterend effect. In vijfjaar na de uitvinding van de sigarettenmachine in 1881 konden achttien machines heel Amerika van sigaretten voorzien. Diamond Match ontwierp, om de arbeiders in de staalbedrijven te helpen bij het opsteken van hun zoveelste Lucky Strike een machine die miljoenen lucifers maakte en in doosjes verpakte. Het is duidelijk dat bedrijven die deze overgangsrite niet goed doormaakten, hun poorten wel konden sluiten.
De organisatiestructuur was hiërarchisch, bureaucratisch en vaak hardhandig. Zoals een voormalige arbeider van het Watertown Arsenal zich nog herinnert uit de jaren veertig, “Als iemand het tempo niet kon bijhouden, kreeg hij soms van de voorman een klap voor zijn kop.” De organisatie leek sterk op een gigantische machine die grondstoffen zoals staal, rubber en glas omzette in eindproducten zoals treinen, vliegtuigen en auto’s. Management had alles te maken met plannen, organiseren en controleren. “Omzet is het geneesmiddel voor alle kwalen”, was het thema. Hoe hoger de productie, des te hoger de consumptie, hoe lager de prijzen en des te hoger de winst van de onderneming. Een advertentie uit 1953 van het New Yorkse warenhuis Gimbels luidde, “Ons economisch voortbestaan hangt af van de consumptie. Wie morgen meer koek wil hebben, zal vandaag meer koek moeten eten.” Terwijl in de massaproductie economie zeer veel waarde werd gehecht aan de consumptie, werden mensen als weinig waardevol gezien en behandelde men werknemers als onderling uitwisselbare onderdelen. Ze werden door de leiding denigrerend behandeld, hun werk was afstompend monotoon, en met hun veiligheid was het abominabel gesteld. In een bepaald staalbedrijf werkten de arbeiders aan open smeltovens die gloeiend hete gassen uitbraakten. In een groot vleesverwerkingsbedrijf moesten de arbeiders soms tot aan hun enkels door het vet en de smurrie waden. Het resultaat van dit alles was in elk geval geen loyaliteit van de werknemers.
Comments Off
M.van der Bijl op 11 February 2010